Rollen op mijn rode racemonster

Onlangs heb ik een nieuwe hobby opgepikt: wielrennen. Niet héél origineel in tijden van corona. Het was naast hardlopen zo ongeveer de enige sportactiviteit die je redelijk veilig kon uitvoeren. Een ideale manier om even te ontsnappen uit huis, dat tijdens de lockdown dienst deed als huiskamer, kantoor, kroeg, bioscoop en wat niet meer. Niet gek dat de muren zo af en toe op ons af kwamen. Dus sloeg Nederland fietsland spontaan aan het wielrennen en ik dus ook. Wie had dat ooit gedacht? Ik niet in ieder geval.

Why tell me why

Ik heb mij namelijk altijd afgevraagd wat het mensen bezielt op een smal, hard zadeltje plaats te nemen en vervolgens uren achtereen een beetje in de rondte te trappen. Wielrennen leek mij allereerst en bovenal súperoncomfortabel. Die houding, voorovergebogen, ineengedoken, dat lijkt me niets. En dan dat zadel, serieus? Mijn stadsfiets heeft een heerlijk rond rokzadel (er is ook voor daadwerkelijk alles een Wikipedia-pagina), waardoor ik überhaupt niet zo goed weet hoe ik op een puntzadel moet zitten, maar daar gaat het niet om. Ik kijk regelmatig naar de Tour de France en verwonder mij elke keer weer over het feit dat al die renners met hun kinderen op het podium staan. Hoe is dat mogelijk? Ten tweede is wielrennen levensgevaarlijk. De gruwelijke val van Fabio Jakobsen recentelijk is (helaas) slechts één van de vele voorbeelden. Je bent zo kwetsbaar op zo’n fiets en je gaat stiekem toch best hard. Uiteraard bereik ik niet dezelfde snelheden als deze sprintkanonnen, maar toch. Als je met 40 kilometer per uur (wind mee anders houd ik dat niet langer dan twee minuten vol) over de bochtige dijk raast dan vind ik dat toch behoorlijk spannend. Één verkeerde beweging en je smakt tegen het asfalt. En dat kan nooit goed aflopen. Tot slot staan wielrenners niet bekend als de meest sociale weggebruikers. Dat strakke synthetische tenue kan ik nog wel aan, maar een gebrek aan zelfspot lijkt me erg ongezellig.

Als het niet anders kan

En dus heb ik altijd luid en duidelijk verkondigd dat wielrennen zo ongeveer mijn grootste nachtmerrie is. Goed, daar moet ik dus toch van terugkomen… De belangrijkste reden dat ik ben gaan fietsen is dat ik niet heel veel anders kon. Ik heb een behoorlijk zware enkelblessure opgelopen waardoor mijn opties lange tijd redelijk beperkt waren. Met pijn in mijn hart keek ik tijdens de lockdown uit mijn raam om al die mensen met dat prachtige weer voorbij te zien rennen. Eind vorig jaar had ik bedacht in 2020 wel weer eens een 10 kilometer te willen lopen, maar die ambitie werd door mijn blessure met de grond gelijk gemaakt. Nu weet niemand wanneer dat soort wedstrijden weer mogelijk zijn, dus ik had waarschijnlijk voor niets getraind, maar ik weet zeker dat ik met alle trainingsmogelijkheden tijdens corona een toptijd had neergezet. Echter, dat alles was dus niet aan de orde. In plaats daarvan begon ik maar weer aan een rondje balansoefeningen in mijn huiskamer. Het werken aan mijn herstel gaf best wat voldoening, maar omdat ik gewend ben drie keer per week te sporten raakte ik uiteindelijk toch redelijk gefrustreerd. In ieder geval gefrustreerd genoeg om dat vermaledijde wielrennen tóch een kans te geven.

De eerste kilometers

Verrassing: ik vind het superleuk! Uiteraard niet vergelijkbaar met een teamsport als volleybal of met hardlopen, de makkelijkste en meest toegankelijke sport ter wereld, maar toch: leuk. De eerste keer dat ik op de fiets zat voelde enorm onwennig. Ik ben gewend aan mijn zware stadsfiets, met terugtraprem (en rokzadel dus) zeer geschikt in, euh ja, de stad. Een wielrenfiets is licht en ik had het idee dat zelfs de meest minimale handbeweging ertoe zou leiden dat ik op mijn kop in de sloot zou belanden. Het eerste ritje werd mij meteen duidelijk dat ik echt iets nieuws aan het leren was en dat vond ik heel gaaf. Want hoe vaak ben je nu nog bezig echt nieuwe vaardigheden op te doen? Veel te weinig was mijn conclusie. Ik denk dat ik een behoorlijk risico op twee wielen was tijdens onze tocht op zoek naar de uitgang van de  Utrechtse binnenstad, maar wonder boven wonder heb ik niemand van de sokken gereden. Het zadel en de houding, tja, echt comfortabel is het nog niet maar dat is deels een kwestie van veel kilometers maken en deels zit er niets anders op dan regel 5 in het achterhoofd te houden: harden the fuck up (waarover later meer).

Duizend(en) euro’s verder

Het nadeel van wielrennen is dat je er niet zo maar mee kan starten. In tegenstelling tot bijvoorbeeld hardlopen, waar je alleen een paar (semi-)fatsoenlijke schoenen voor nodig hebt, vereist wielrennen een complete uitrusting. Een helm en een fietsbroek zijn, naast de fiets zelf uiteraard, toch wel minimaal noodzakelijk. Gelukkig kon ik een fiets lenen van een vriend, had iemand anders nog wel een helm over en was een broek (toen) nog wel aan te schaffen. Anders wordt het wanneer je na een aantal geslaagde proefritjes besluit er een hobby voor de lange termijn van te maken. Ik heb behoorlijk wat wielrenners in mijn omgeving en die waren gelukkig allemaal meer dan bereid tips te geven bij de aanschaf van een fiets en alles wat daarbij komt kijken. Alleen wist ik na de laatste aflevering van ‘zoveel mensen, zoveel meningen’ echt niet meer wat nu verstandig was. De één zweert bij schijfremmen, de ander vindt velgremmen prima want daar reden de professionele wielrenners tot voor kort ook allemaal mee. De één raadt aan toch echt voor een (duurder) carbon frame te gaan, terwijl de ander dat wat overdreven vindt voor een starter. Waar de één alles minder dan groepset 105 onbespreekbaar vindt, zegt de ander dat je zo lang je de Alpen niet ingaat best met wat minder toe kan. Hoe dankbaar ik iedereen ook ben voor zijn of haar advies, mijn hoofd liep behoorlijk over van de mogelijkheden. Uiteindelijk heb ik besloten er principieel op tegen te zijn duizenden euro’s uit te geven aan een eerste fiets. Je moet het tenslotte ook wel een beetje waar kunnen maken. Als ik mij op de weg vertoon met een fiets van €2.000, maar een gemiddelde van 22 km/u dan is dat toch een beetje sneu.

The rules

Want dat heb ik ondertussen wel geleerd, one does not simply start cycling. Wielrennen is meer dan alleen hard trappen, het is een levensstijl. Althans, als ik sommigen mag geloven. Mijn collega, die zelf fanatiek fietst (als ik toch ooit zo hard zou kunnen rijden), heeft het op zich genomen mij een beetje wegwijs te maken in de wielerwereld en mij te behoeden voor de beginnersfouten die overal op de loer liggen. Want dat zijn er nogal wat. Zo zijn mijn schoenen pimpelpaars met een geel randje (wielrenschoenen zijn wit!), rijd ik als het warm is in een shirtje zonder mouwen (doe je aan de triatlon of zo?!) en zet ik mijn fiets op z’n kop om em schoon te maken (the rubber stays down!): drama natuurlijk. Gelukkig heb ik nu het handboek der wielrenners om te voorkomen dat dit soort onhebbelijkheden zich in de toekomst nog voor zullen doen. Dat van die levensstijl was namelijk geen grapje. Als je echt serieus bent dan behoor je tot de Velominati, Keepers of the Cog. Gelukkig hebben ze een vrij overzichtelijke set aan regels zodat iedereen erbij kan horen. Zoals regel 5 hierboven reeds genoemd. Of regel 27, waarin de lengte van je sokken wordt bepaald. Regel 43 is mijn favoriete tot nu toe: Don’t be a jackass. But if you absolutely must be jackass, be a funny jackass. Als ik me aan alle regels houd dan zou ik in staat moeten zijn een fatsoenlijke indruk achter te laten op mijn fietsje. En anders heb ik altijd de hilarische (en zeer behulpzame en relevante) video’s van het Global Cycling Network nog.

Polders en monchoutaart

Ondertussen heb ik er al best wat kilometers opzitten. Ik probeer mijn rode racemonster enigszins te onderhouden, al moet ik eerlijk bekennen dat ook dat mij niet echt aanspreekt in het wielrennen. Hoe lang ik het vol ga houden als het buiten koud en nat wordt, weet ik ook niet. Voor nu is het in ieder geval heerlijk om het Nederlandse polderlandschap op mijn fiets te doorkruisen en tegelijkertijd aan mijn conditie te werken. Het leuke aan fietsen is ook dat dat je het heel goed samen kunt doen. Dat is namelijk meteen een goed excuus om halverwege te stoppen voor een frietje als lunch. De verse monchoutaart in Westbroek staat op de planning voor het volgende ritje…

3 reacties op “Rollen op mijn rode racemonster”

Geef een reactie

Jouw reactie verschijnt nadat ik deze heb goedgekeurd.